Woord en Communie viering 12-09-2021

VIERENTWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR

EERSTE LEZING Jes., 50, 5-9a

Uit de Profeet Jesaja

God de Heer heeft tot mij gesproken en ik heb mij niet verzet, ik
ben niet teruggedeinsd. Mijn rug bood ik aan wie mij sloegen, mijn wangen aan wie mij de baard uitrukten en mijn gezicht heb ik niet afgewend van wie mij smaadden en mij bespuwden. God de Heer zal mij helpen: daarom zal ik niet beschaamd staan. Hij die mij vrij zal spreken is nabij. Wie is mijn tegenstander? Laten we samen voor de rechter treden! Wie is mijn tegenpartij? Laat hij tegenover mij komen staan! God de Heer zal mij helpen: wie zal mij schuldig verklaren?

TUSSENZANG Ps. 116 (114), 1-2, 3-4, 5-6, 8- 9

REFR: Ik mag weer leven onder Gods oog in ‘t land van de levenden.

De Heer heb ik lief, want Hij luistert, Hij hoort mijn smekende stem; Hij heeft mij aandacht geschonken telkens als ik tot Hem riep.

De dood hield mij al in zijn strikken, het net van het schimmenrijk viel op mij neer, ik ging onder zorgen gebukt. Toen riep ik de Naam van de Heer aan: ach, red mij, Heer, van de dood!

De Heer is goed en rechtvaardig, barmhartig is onze God. Eenvoudigen biedt Hij bescherming; Hij heeft mij gered uit de nood.

De Heer ontrukte mijn ziel aan de dood, Hij droogde mijn tranen en steunde mijn voet. Ik mag weer leven onder Gods oog in ‘t land van de levenden.

TWEEDE LEZING Jak., 2, 14-18

Uit de brief van de heilige apostel Jakobus

Broeders en zusters, Wat baat het een mens te beweren dat hij geloof heeft als hij geen daden kan laten zien? Kan zo’n geloof hem soms redden? Stel dat een broeder of zuster geen kleren heeft en niets om te eten en iemand van u zou zeggen: “Geluk ermee! Hou u warm en eet maar goed” en hij zou niets doen om in hun stoffelijke nood te voorzien – wat heeft dat voor zin? Zo is ook het geloof, op zichzelf genomen, zonder zich in daden te uiten dood. Misschien zal iemand zeggen: “Gij hebt de daad en ik heb het geloof.” Dan antwoord ik: “Bewijs me eerst dat ge geloof hebt als ge geen daden kunt tonen; dan zal ik u uit mijn daden mijn geloof bewijzen.”

ALLELUIA Joh., 8, 12

Ik ben het licht van de wereld, zegt de Heer Wie mij volgt zal het licht des levens bezitten. Alleluia.

EVANGELIE Mc., 8, 27-35

Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus

In die tijd trok Jezus met zijn leerlingen naar de dorpen rond Caesarea van Filippus. Onderweg stelde Hij aan zijn leerlingen de vraag. “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” Zij antwoordden Hem: “Johannes de Doper; anderen zeggen Elia en weer anderen zeggen dat Gij een van de profeten zijt.” Daarop stelde Hij hun de vraag: “Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?” Petrus antwoordde: “Gij zijt Christus.” Maar Hij verbood hun nadrukkelijk iemand hierover te spreken. Daarop begon Hij hun te leren dat de Mensenzoon veel zou moeten lijden en door de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden verworpen moest worden, maar dat Hij, na ter dood te zijn gebracht drie dagen later zou verrijzen. Hij sprak deze woorden zonder terughoudendheid. Toen nam Petrus Jezus terzijde en begon Hem ernstig daarover te onderhouden. Maar zich omkerend keek Hij naar zijn leerlingen en voegde Petrus op strenge toon toe: “Ga weg, satan, terug! want gij laat u leiden door menselijke overwegingen en niet door wat God wil.” Nadat Hij behalve zijn leerlingen ook het volk bij zich had laten komen, sprak Hij tot hen: “Wie mijn volgeling wil zijn moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie zal het redden.”

Dit bericht is geplaatst in Vieringen. Bookmark de permalink.